Bussemaker houdt vast aan prestatieafspraken hoger onderwijs

jet bussemaker

Minister Jet Bussemaker van Onderwijs maakte in 2012 met universiteiten en hogescholen afspraken over onder andere contacturen, excellentie, onderwijskwaliteit, het niveau van docenten en studiesucces. Zij wilde hiermee de instellingen prikkelen om de kwaliteit van onderzoek en onderwijs te verbeteren. Instellingen die hun zelf gestelde doelen niet halen, krijgen eind dit jaar minder geld van de overheid. Ondanks de bezwaren uit het hoger onderwijs houdt Bussemaker vast aan de gemaakte afspraken.

De hogescholen en universiteiten vinden dat er de afgelopen vier jaar veel veranderd is en dat de overheid zich niet heeft gehouden aan de diverse afspraken uit het zogeheten ‘hoofdlijnenakkoord‘ met de toenmalige staatssecretaris Halbe Zijlstra van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Hij had onder meer toegezegd dat instellingen meer geld konden vragen aan excellente studenten en dat opleidingen ook in het tweede studiejaar een bindend advies af mochten geven. Daarnaast zijn er beloften gedaan over de doorstroom van mbo’ers naar het hbo en de exameneisen voor havisten en vwo’ers. Toen vervolgens het kabinet viel werd er in het regeerakkoord meer op onderwijs bezuinigd dan was voorzien en gingen verschillende afspraken op de schop. De doorstroom van het mbo naar het hbo werd versoepeld, de rekentoets in het voortgezet onderwijs werd uitgesteld en de PvdA veegde het plan om meer collegegeld te vragen aan excellente studenten van tafel. Dat plan stond overigens al sinds 2013 in de ijskast.

Eigen ambities formuleren

De instellingen mochten destijds zelf hun ambities formuleren op het gebied van onderwijskwaliteit en studiesucces, profilering en valorisatie. De hogescholen konden individueel hun sterke punten aangeven. Zo richtte de ene school zich bijvoorbeeld meer op het aantrekkelijker maken van opleidingen voor vwo’ers, terwijl een andere school juist koos voor associate degrees. Ook konden de universiteiten kiezen op welk gebied zij tot de wereldtop wilden behoren. Zij moesten hun onderzoeken beter afstemmen op maatschappelijke uitdagingen zoals de vergrijzing en veiligheid. Maar ook op de behoeften uit het bedrijfsleven.

Experiment tot 2018

Minister Bussemaker vindt de veranderingen in het onderwijs geen reden om de financiële consequenties die aan de eindbeoordeling van de prestaties verbonden zijn los te laten. Zij heeft juist de regels nog wat verder aangescherpt. Zo moeten de universiteiten en hogescholen de eindwerkstukken zeven jaar bewaren, wat nodig is om de accreditatie goed te kunnen uitvoeren. Ook wil de minister dat leden van de examencommissie binnen de instelling geen financiële verantwoordelijkheid hebben, dit staat in de Wet versterking kwaliteitswaarborgen hoger onderwijs. Daarnaast verwacht zij dat studenten sneller afstuderen.

Geen nieuwe afspraken

De in 2012 gesloten prestatieafspraken vormen een experiment dat eind dit jaar afloopt. Tegen die tijd beoordeelt de Reviewcommissie Hoger Onderwijs en Onderzoek de doelen die de universiteiten en hogescholen hebben behaald. Dit levert hen dan geld op. Staatssecretaris Zijlstra reserveerde zeven procent van het onderwijsbudget voor de prestatieafspraken, wat jaarlijks neerkomt op ongeveer driehonderd miljoen euro voor alle instellingen samen.

De universiteiten willen het geld dat vrijkomt, als de basisbeurs verdwijnt, naar eigen inzicht kunnen besteden. Universiteitenvereniging VSNU heeft al laten weten dat zij geen nieuwe prestatieafspraken willen maken wat de miljoenen betreft die vanaf 2018 vrijkomen door de invoering van het leenstelsel. De universiteiten vinden het ongewenst dat ze nu worden afgerekend op onder meer het studietempo van hun studenten. De hogescholen hebben onlangs ook al aangegeven dat zij geen heil zien in nieuwe prestatieafspraken met de overheid. In plaats van prestatieafspraken willen zij dat bestuurders, onderzoekers, docenten en studenten de koers van de hogescholen bepalen.